wie is online

We hebben 44 gasten en geen leden online

Login/Registreren

Polls

Welk type lezing wil je liefst bijwonen

Reisverslagen - 8.3%
Aquariumplanten - 20.8%
Gezelschapsvissen - 33.3%
Cichliden - 33.3%
Vijver - 4.2%

Aantal stemmen: 24
De stemmen voor deze enqute is afgelopen on: mei 10, 2017

Vissen uit Madagascar (deel 2)

Afdrukken E-mail

De Pachypanchax homalonotus, die voor het eerst in 1956 in Duitsland ingevoerd werd, komt voor op het eilandje Nosy Bé, dat vlakbij de noordwestkust van Madagascar ligt. Deze visjes zijn nauw verwant met de geslachten Aplocheilus en Epiplatys. Ze onderscheiden zich hiervan door hun met schubben begroeide vinnen en worden trouwens ook iets groter (8 tot 9,5cm). In hun natuurlijk biotoop komen ze zowel voor in stilstaand zoet- als in brakwater. Ze houden zich net onder het wateroppervlak schuil tussen drijfplanten. De rug van het mannetje is olijfbruin, zijn flanken zijn olijfgroen. Op het voorste gedeelte van het snoekachtig lichaam, is het net of er glinsterend blauwe schubben zijn uitgestrooid. Van uit het oog loopt een 2mm brede geelachtige band door tot in de staartwortel. De buikzijde, die onder deze band begint, is wit maar wordt naar het lichaamseinde toe als maar roder. Al de onpare vinnen beginnen aan de basis roodachtig, zijn bezaaid met kleine blauwe vlekjes en worden, naar het uiteinde toe, steeds bleker. De basis van de aarsvin is ruim tweemaal de lengte van de rugvin. Ze is donker-olijfkleurig, ja bijna gelig en wordt in twee gelijke helften verdeeld door een oranje zoom, die naar het spitse uiteinde van de vin uitwaaiert. De staartvin is spatelvormig en is vanuit de wortel oranje. De pare vinnen zijn bij beide geslachten kleurloos. Het vrouwtje heeft dezelfde kleuren als het mannetje, maar ze zijn veel minder uitgesproken. Bovendien is haar buikpartij ook iets meer gevuld en is haar rug- en aarsvin afgerond.

Deze visjes zijn niet al te warmtebehoeftig en kunnen probleemloos gehouden worden tussen 22 en 24°C. Ook inzake watersamenstelling zijn ze, net als de Bedotia's, niet veeleisend. In water met een pH van 7 tot 7,2 en een hardheid van 14 tot 18dGH voelen zij zich uitstekend en leggen er bereidwillig in af.

Voor een gerichte kweek met twee mannetjes en vier vrouwtjes, voldoet een bakje van 50x30x30 ruimschoots. Zand hoef je er niet in te doen. Als afzetsubstraat leg je een flinke dot Javamos op de bodem. Als de vissen beginnen te paren, wordt de dot Javamos om de tien dagen weggenomen. Je moet dan, om de eitjes te recupereren, het Javamos in een apart bakje uitspoelen. Als je over veel Javamos beschikt, kan je natuurlijk evengoed de dot met de eitjes overbrengen naar een apart bakje en hem in het kweekbakje vervangen door een nieuwe. Afhankelijk van de temperatuur komen de larfjes na 12 tot 16 dagen uit. In den beginne voeder je ze met het allerfijnste levend slootvoer of met stofvoer. Ook Artemianaupliën mogen zeker op het menu niet ontbreken. Naarmate ze groeien geef je hen groter voedsel. Een regelmatige, gedeeltelijke waterverversing stimuleert uiteraard de groei.

Je kan de Pachypanchax homalonotus gemakkelijk houden in een gezelschapsbak. Meestal liggen ze verscholen tussen de wortels van drijfplanten of tussen overhangende fijnbladige waterplanten en wachten er roerloos op een prooi. Als ze iets eetbaars bespeuren stormen ze er als een bliksemschicht op af. Het liefst lusten ze muggenlarven, maar ze zijn ook verzot op fruit- en huisvliegen.

Gewoonlijk trekken ze zich van hun medebewoners niets aan. Hou ze echter niet in het gezelschap van te kleine vissoorten, zeker niet als die ook de bovenste waterlagen opzoeken. Onze Pachypanchaxen zullen die visjes zeker als indringers en als voedselconcurrenten beschouwen en gaan hen, vroeg of laat, liquideren.

Als je regelmatig wat fijn voer in je bak doet, zal je na verloop van tijd kunnen vaststellen dat er een paar jonge Pachypanchaxjes bijgekomen zijn die, zo onopvallend mogelijk, tussen het drijvend groen rondzwemmen. Zo blijft hun popualtie voor jaren op peil.

Het houden van en het kweken met dit visje is zeker het proberen waard, zou ik zo zeggen.

Karel Fondu, De Siervis Leuven