wie is online

We hebben 117 gasten en geen leden online

Login/Registreren

Polls

Welk type lezing wil je liefst bijwonen

Reisverslagen - 8.3%
Aquariumplanten - 20.8%
Gezelschapsvissen - 33.3%
Cichliden - 33.3%
Vijver - 4.2%

Aantal stemmen: 24
De stemmen voor deze enqute is afgelopen on: mei 10, 2017

Vieroogjes

Afdrukken E-mail
Vieroogjes
 
Een blauw oog kende ik, een lui oog ook, zelfs eksterogen waren mij niet onbekend, maar van een vieroog had ik nog nooit gehoord tot ik in de Tropical Fish Hobbyist van maart 1998 het artikel van Tom Neal las. 
Tom vertelt het als volgt.
 
In mijn carrière als aquariaan heb ik menige soort vissen gehouden en gekweekt. Ik heb verschillende stadia doorgemaakt die gingen van cichliden over meervallen naar killyvissen. Mijn eerste kweekje was zoals bij de meesten onder ons met eilevendbarenden – platty's om precies te zijn. Men zegt dat het leven een eeuwige cirkel is en dat men altijd terugkeert naar zijn roots. Daar gaat dit artikel over: teruggaan tot mijn eerste liefde – de eilevendbarenden; niet zo maar een levendbarende maar de wonderbaarlijke vieroogvis of te Anableps anableps.
Deze levendbarende komt voor in de kustwateren van Florida tot Zuid-Amerika. Het zijn meestal brakwatervissen die leven in mangrovegebieden en moerassen maar die ook gevonden worden in zuiver zee- of zoetwater. 
  Volwassen wijfjes worden tussen de 15 à 20 cm. groot; mannetjes blijven gewoonlijk iets kleiner. De bovenste helft van het visje is olijfgroen tot bruin, de buikzijde is spierwit. Met zijn bovenstandige muil kan hij gemakkelijk insecten, die op het wateroppevlak belanden, oppikken. Dit is slechts één van zijn aanpassingen om net onder de wateroppervlakte te leven.
Zijn meest ongebruikelijke aanpassing aan de bovenste waterlaag zijn natuurlijk zijn ogen. Met de bovenste helft speurt hij boven water de einder af naar mogelijke predatoren, met de onderste helft loert hij op mogelijke prooi; omgekeerd kan natuurlijk ook.
Zijn voortplantingswijze is al even bijzonder. De anale vin, die bij het mannetje uitgegroeid is tot een geslachtsorgaan, kan enkel naar links of naar rechts bewegen. De geslachtsopening van het wijfje wordt ten dele door een schubbetje afgesloten, zodat ofwel de linker ofwel de rechterhelft vrijgelaten wordt. Dit heeft tot gevolg dat een "rechts" mannetje slechts met een "links" vrouwtje kan paren en omgekeerd. Waarom moeder natuur dit lolletje heeft bedacht weet geen mens. Wetenschappers zijn
trouwens ook al niet meer zeker dat het is zoals zij vroeger beweerden en zoeken ondertussen verwoed verder.
 
Deze visjes houden is hoegenaamd niet moeilijk als je maar tegemoet komt aan hun eisen. Hun water moet zéér warm zijn, het mag gerust 30 tot 32 graden halen. Verder houden ze van brakwater. Dit bekom je door bij zoetwater 25 of 50 % zeewater toe te voegen. Omdat de diertjes zuiver water zeer op prijs stellen, is een krachtige filtering door een potfilter absoluut noodzakelijk. Ze houden ook van een krachtige uitstroming  waarin ze urenlang kunnen stoeien. Voor bijkomende filtering gebruik ik een grote buitenfilter die gevuld is met gebroken koraal. Dit houdt de PH op peil en doet tegelijk dienst als een gemakkelijk te onderhouden bacteriologisch filter. De PH moet schommelen tussen de 7.5 en de 8. Het water mag dus nooit "zuur" worden. Om de visjes in goede conditie te houden ververs ik iedere week de helft van het water. In mijn anablepsbakken gebruik ik noch bodemsubstraat, noch decoratie zoals stenen of stukken hout. Als je toch een bodemsubstraat wil aanbrengen, raad ik je aan een half om half mengeling te gebruiken van gebroken koraal en dolomiet. Dit zal helpen de PH op peil te houden.
 
Al wat de visjes op prijs stellen is een grote zwemruimte zonder obstakels. Hoe groter het wateroppervlak waarin ze vrijelijk kunnen stoeien, hoe beter de diertjes zich zullen voelen. Diep hoeft het aquarium dus niet te zijn: 20 cm is al ruim voldoende.
In tegenstelling met wat ik over de visjes gelezen heb geloof ik niet dat ze graag een plekje land hebben waarop ze zich half uit het water kunnen hijsen. In den beginne voorzag ik droge plekjes voor de vissen, maar zij toonden er nooit interesse voor en ik zag ze die ook nooit gebruiken. Uiteindelijk verwijderde ik ze omdat ze het onderhouden van het aquarium bemoeilijken. De vissen voederen is ook al geen probleem. Ze eten alles wat drijft of zinkt. Ik geef  diepgevroren rode muggenlarven en bruine garnaaltjes, droogvoer onder de vorm van pellets en vlokken en wat zeer belangrijk is diepvries – krill. Deze krill is belangrijk voor het in conditie houden van de kweekdieren. Andere kwekers, die geen krill voederden, hadden vaak jongen waarvan de ruggegraat scheef en krom was.
 
Het is soms moeilijk om gezonde dieren op de kop te kunnen tikken. Kontroleer bij de handelaar of het water warm en brak is. Gezonde dieren zullen wild over en weer zwemmen omdat ze proberen te ontkomen. Wanneer je met de diertjes thuiskomt moet je ze  langzaam aan hun nieuw aquarium laten aanpassen. Meestal worden er zeer jonge exemplaren in de handel aangeboden. Een diertje van 6 cm is meestal pas enkele dagen oud. Probeer in den beginne het te voederen met insecten of voedsel op basis van vlees. Na enkele dagen aanpassing eten ze bijna alles.
 
Nu komt het spannendste gedeelte: de kweek. Het eerste wat je nodig hebt is véél geduld. Het duurt ongeveer twee jaar van goede zorgen vooraleer de vissen aan voortplanting denken. Dit betekent 100 weken van voederen, water verversen en het aquarium onderhouden eer je een kans hebt om jongen te bespeuren. Zelfs na twee jaar zullen de jongen meestal dood geboren worden. Pas als de kweekdieren 2,5 jaar oud zijn gaan de zaken er op verbeteren en mag je levende jongen verwachten. Hoe kleiner de nesten hoe beter. 
Twee jongen hebben een grotere kans op overleven dan een nest van vijf, want hoe kleiner de nest hoe groter de jongen. Ik zag mijn eerste jongen toen de ouders twee jaar oud waren. Er waren er vijf en ze waren allemaal dood geboren en zeer klein (ongeveer 4 cm); ze waren niet volledig volgroeid en hun buiken waren niet volledig gesloten. Na zes maanden volgde er een tweede legsel: het waren er weer vijf en weer waren ze doodgeboren en waren de buikjes niet volledig gesloten. Ik raakte ontgoocheld, maar bij opzoekingen in de vakliteratuur bleek mijn tegenslag eerder normaal.
 
Na zes maanden werd er opnieuw een legsel geboren. Deze keer waren het er slechts twee en ze leefden. Ze waren ongeveer 7 à 8 cm groot en cirkelden als gekken rond hun ouders. Omdat ik dacht dat ze zouden "vertrappeld" worden door de ouderdieren wilde ik ze onmiddellijk verwijderen en naar veiliger oorden overbrengen. Ik zette een 90 liter bak op met water uit het aquarium waarin ze geboren werden. De bodem was onbedekt en de enige attributen in het aquarium waren een verwarmer en een sponsfilter. Er was net genoeg water in de bak om de verwarmer op zijn kant op de bodem van de bak te leggen. Nadat ik de jongen had overgezet bleef ik ze een tijd observeren. Het waren slechte zwemmers die onstabiel rondzwommen. Ik ging er vanuit dat ze zwemproblemen hadden. Steeds wanneer ze stopten met zwemmen zonken ze naar de bodem. Ik werd zeer ongerust en alhoewel ik de ouderdieren nooit een droog plekje had aangeboden, wilde ik dit bij de jongen toch uitproberen. Ik legde een schilfer leisteen in het water, gestut door een stuk steen. Zodanig vormde de leisteen een licht hellend vlak dat voor een stuk uit het water stak. Groot was mijn verbazing toen de jongen beiden op het stuk leisteen gingen liggen tot net aan het wateroppervlak.
 
Een eerste moeilijkheid was overwonnen maar een tweede probleem kondigde zich al aan. Ik had gelezen dat de jongen onmiddellijk levend eten nodig hebben. Gelukkig had ik enkele krekeltjes in voorraad en heb ik die dan maar gevoederd. Ongeveer  vier uur na hun geboorte gebruikten zij hun eerste maaltijd. Ik voerde ze twee maal per dag gedurende twee dagen levende krekeltjes. De tweede dag bemerkte ik dat ze ook dode krekeltjes naar binnen werkten en ik vroeg mij dan ook af of ze geen andere dode prooidieren zouden eten. Ik probeerde het met diepgevoren rode muggenlarven en het lukte. Ook bruine diepvriesgarnaaltjes werden opgepeuzeld. Op het einde van de week aten ze werkelijk alles tot zelfs droogvoer toe. Het waren echte veelvraten en ik ben er ten stelligste van overtuigd dat ze van bij de geboorte levend voer nodig hebben. Tot ze ongeveer drie weken oud waren bleven het armzalige zwemmers. Nadien zochten ze hun plekje op de leisteen niet meer op en nam ik die dan ook weg. Ik denk nu dat zo een droog plekje nodig is voor jongbroed, maar niet voor volwassen exemplaren. In de natuur komen ze afleggen in de ondiepe kustwateren omdat de kusten vaak goede schuilplaatsen bieden en er voor de jongen veel voedsel in voorraad is. Wanneer er onraad dreigt springen de jongen op mangrovewortels of om het even welk ander oppervlak om aan hun vijanden te ontkomen. Ze gebruiken deze techniek ook om prooien te bemachtigen die ze anders niet kunnen grijpen. Volwassen dieren, die in open water vertoeven, gebruiken deze methode niet.
 
De jongen zijn nu vier maand oud en ongeveer 11 cm lang. Ze zijn in goede gezondheid en ik kan er uren plezier aan beleven ze gade te slaan. Ik kijk al uit naar de volgende worp, die ik verwacht binnen een maand of zo.
 
Ik vind dit een prachtig verhaal, recht uit het hart geschreven en die vieroogjes lijken mij heel sympathieke beestjes te zijn.
 
Karel Fondu,
De Siervis Leuven