wie is online

We hebben 85 gasten en geen leden online

Login/Registreren

Polls

Welk type lezing wil je liefst bijwonen

Reisverslagen - 8.3%
Aquariumplanten - 20.8%
Gezelschapsvissen - 33.3%
Cichliden - 33.3%
Vijver - 4.2%

Aantal stemmen: 24
De stemmen voor deze enqute is afgelopen on: mei 10, 2017

Over het nakweken van zalmen (deel 2)

Afdrukken E-mail
Over het nakweken van zalmen (deel 2)
 
Vorige maand brachten we het eerste deel van dit artikel. Deze maand lees je het vervolg van het betoog van Hans-G. Evers.
 
Hoe groot moeten kweekbakken zijn?
Een onervaren zalmkweker stelt zich een ganse batterij van 5 of 10 liter bakjes voor waarin telkens een paartje tot afzetten wordt gebracht. Het is inderdaad zo dat in den beginne vaak veel te kleine bakjes worden gebruikt. Enkel ervaren kweekparen of echte minizalmen maken geen probleem van een dergelijke kleine behuizing. De meeste soorten zullen kleurloos ter plaatse schokken en zullen als de kweker om de tien minuten met zijn zaklamp in het bakje schijnt als hazen door het bakje schieten.
De grootte van het aquarium hangt deels af van het aantal te verwachten jongen, deels van het aantal ingebrachte kweekstellen maar ook deels van het paringsgedrag van de ingebrachte soort. Zo kunnen volwassen Hyphessobrycon scholzei vrouwtjes met een lengte van 5cm tussen de 800 en de 1000 eitjes afzetten. Hieruit ontwikkelen zich een geweldig aantal jongen, waarvan de opfok veel plaats vereist. Een afzetbak van 100 liter volstaat voor de eerste 6 tot 8 weken, maar daarna wordt hij onherroepelijk te klein. Beroepskwekers gebruiken voor de kweek van dergelijke soorten zeer grote bakken waarin meerdere kweekstellen tegelijk worden ingebracht.
Het is ook absoluut nodig informatie in te winnen over de soort die men wil kweken. Voor de meest gangbare visjes vormt dit geen probleem omdat er in de vakliteratuur zeker over 30 à 40 soorten voldoende gegevens te vinden zijn.
De mannetjes van vele zalmsoorten gaan bij het baltsen nog al wild te keer en zwemmen in wijde kringen rond het vrouwtje heen of omcirkelen haar met rukkende schokjes. In een cel van 10 op 10cm grondvlak lukt dit niet. Door dit plaatsgebrek valt een beslissende fase, die aan de paring voorafgaat, weg en de visjes zullen dan ook niet tot paren overgaan zelfs al zijn de andere condities ideaal. Bij zalmen van het formaat van een lantaarndrager tot dat van een kersevlekzalm (Hyphessobrycon socolofi) gebruik ik bakjes met een grondvlak van 50x20cm. Bij grotere visjes of zwermpjes gebruik ik 1m bakken.
 
Was de keuze van het kweekkoppel een succes?
Over de eerste eitjes kijkt men gemakkelijk over. Had men geluk kon men nog net het mannetje wild te keer zien gaan en met heel veel geluk kon men nog net enkele paringen zien. Dan nog kijkt men zich de ogen uit zijn kop om eitjes waar te nemen.
Onervaren koppels moet men rust gunnen en men kan ze niet steevast gaan controleren. Ik zet me graag, als ik daartoe de tijd heb, enkele meters van het aflegbakje verwijderd en observeer de visjes. Zo kan ik, als ik mij rustig hou, alle fases van het liefdesspel volgen. Ik ga hier nu niet uitwijden over al de interessante gedragspatronen van de verschillende soorten zalmen. Als je hierover meer wil weten kan je dit nalezen bij Stallknecht (1994).
Uiteindelijk is de kweek gelukt en kan men de eitjes duidelijk waarnemen op de bodem (vooral als men die van te voren aan de onderzijde zwart geschilderd heeft). Nu vang ik ofwel de ouderdieren weg of zuig ik bij kleine kweekgroepen of bij continu-afleggers, die slechts enkele eitjes per dag afzetten, de eitjes weg. De meesten kleven niet en om een beter overzicht te bewaren neem ik ook het legrooster weg.
Bij de meeste door mij gekweekte soorten begint het uitkomen van de jongen na 20 of 30 uur bij een temperatuur tussen de 23 en de 26°C. De beroemde "glassplinters" hangen dan aan de zijruiten of liggen op de bodem en vluchten weg uit de stralenbundel van de zaklamp. Nu duurt het nog één tot drie dagen eer de kleintjes voedsel nodig hebben.
 
Waar moet men op letten bij de eerst voederbeurten?
Het tijdstip waarop de eerste voedselopname gebeurt, is zeer belangrijk en hiervan hangt het verder welslagen van de hele kweek af. Volgens een oude vuistregel mag het eerste voedsel net zo groot zijn als de doormeter van het oog van het jongbroed. Men kan dit voor waar aannemen, maar een totale garantie biedt deze vuistregel nog niet. Vele zalmbaby‘s jagen actief op voedsel, bij anderen moet het voedsel hen daadwerkelijk in de bek zwemmen. In dat geval is een lichte waterstroming aan te raden.
Maar wat moet men voederen? Ideaal zijn zelfgevangen raderdiertjes en cyclops- of dyaptomusnaupliën, maar dit voedsel is voor de meeste aquarianen, waaronder ikzelf, moeilijk aan te schaffen. Als stadsmens beschikt men niet over de nodige natuurlijke plasjes en in de winter heeft waarschijnlijk niemand lust om in het donker in het ijs staan te hakken.
Men kan eitjes van raderdiertjes kopen. Deze eitjes strooi ik dan gewoon op het wateroppervlak. Bij zeer klein jongbroed gebruik ik een mespunt oplosmelk dat ik, als het uitkomen voltrokken is, in het water laat dwarrelen. Dit zorgt voor het nodige infuus.
Maar ik heb ook nog de turf en de goedingelopen filtermat waarop de jongen, vooral na een grotere voedselpauze, enthousiast gaan grazen. Een bosje javamos is ook een goede weide omdat hierin veel microörganismen huizen.
Artemianaupliën zijn het meest gebruikte opfokvoer. Toch zijn de meeste pasuitgekomen artemiakreeftjes te groot voor de jongen. Sinds ik de naupliën zeef heb ik geen problemen meer. Wat door de mazenwijdte van 200 micrometer valt is ook voor de kleinste jongen eetbaar. De daaropvolgende maat is 180 micrometer en zelfs daar vallen, bij een goede doorspoeling nog enkele naupliën door die voor heel klein jongbroed eetbaar zijn. 
De naupliën zijn zacht en ook door jongen met een kleine mondopening gemakkelijk te snappen. De kwaliteit van de aangeboden artemia varieert. Eer ik mij een grote portie aanschaf, probeer ik altijd eerst een kleine hoeveelheid uit. Met een beetje geluk stoot je op zeer kleine artemias, die uitstekend voer vormen voor de kleintjes.
Pas op voor het toedienen van te veel voedsel. Afgestorven artemias brengen een massale ontwikkeling van infuus op gang  dat enorm veel zuurstof gaat gebruiken. Een ongeoefend oog ontdekt het gevaar te laat en de ganse kweek gaat ten gronde. Op dat ogenblik kan ook het gebruik van een UV-lamp geen soelaas meer brengen.
Het mag lachwekkend lijken, maar ik reken voor de eerste dagen per voedselbeurt op 2 à 3 naupliën per jong visje (minder is zelfs nog beter). Mettertijd krijgt men de nodige feeling en aan de buikjes van de visjes kan men zien of men genoeg geeft.
Glassplinters met in het midden een knikje in een holle buik zijn zeer zeker op een verkeerde manier gevoederd.
Zijn de eerste kritische dagen of is de eerste week voorbij dan is het ergste leed geleden en is de verdere opfok gemakkelijk. Afwisselend voederen en waterverversen is nu de boodschap. De eerste waterwissel met leidingwater mag niet gebeuren voor de tweede levensweek en dan nog maar trapsgewijze, daar dit anders tot grote verliezen leidt.
Bij vele zalmsoorten zijn de jongen reeds na 3 maanden geslachtsrijp. De neon is de absolute groeikampioen. In slechts 6 tot 8 weken bereikt hij 4/5 van zijn normale lengte.
 
Karel Fondu,
De Siervis Leuven