wie is online

We hebben 13 gasten en geen leden online

Login/Registreren

Polls

Welk type lezing wil je liefst bijwonen

Reisverslagen - 8.3%
Aquariumplanten - 20.8%
Gezelschapsvissen - 33.3%
Cichliden - 33.3%
Vijver - 4.2%

Aantal stemmen: 24
De stemmen voor deze enqute is afgelopen on: mei 10, 2017

Met de motorfiets naar Doornik

Afdrukken E-mail

Een alternatieve clubuitstap

Het is zaterdag 16 augustus 2003.

Met een bang hart heb ik de ganse week het weerbericht gevolgd: "Stel dat het gaat regenen, want dat warme weer kan toch niet blijven duren. En wat als het zo heet is als de laatste dagen? Hoe hou je dat vol, een ganse dag op de moto met een leren kostuum en een helm?"

Maar het ziet er goed uit. Het is 9u00 als we op de parking aan het lokaal aankomen. Het is licht bewolkt, rond de 22°C warm en er wordt droog weer voorspeld. Een aantal Siervis-motards staat reeds vol ongeduld te wachten op het vertrek van de rit die ons langs pitoreske landwegen naar Doornik zal brengen.

Als we rond 9u15 de motoren starten, de ene al wat luidruchtiger dan de andere, en ons op weg begeven vormen we een mooie kolonne. De groep bestaat uit 16 personen, verdeeld over 8 motorfietsen, 1 trike, 1 oldtimer wagen en 1 oldtimer camionette, voorzien van drank en depannagemateriaal. Hopelijk hebben we dit laatste niet nodig!

Met Marc voorop rijden we met een slakkengang langs de Leuvense ring naar Terbank. "Is iedereen alle verkeerslichten gepasseerd?" Als de laatste rijder de groep terug vervoegd heeft, gaat het richting Overijse.

"Tot in Doornik zijn er nu geen verkeerslichten meer" zegt Mark, en gelijk krijgt hij. Langs kronkelende wegen, ideaal voor de echte motard, rijden we naar het meer van Genval. Onze kolonne heeft veel beziens, maar ja, het is dan ook een kleurrijke en luiddruchtige bedoening als al dat motorgeweld door de landelijke dorpskerntjes dendert.

Na ongeveer 60km houden we een eerste maal halt bij het enige benzinestation op onze route. Dorstige moto’s en rijders worden van drank voorzien. Er wordt wat over en weer geprobeerd hoe alle moto’s zitten en hoe hard de uitlaten knallen en dan staan we terug klaar voor het vertrek.

"Nu wordt het interessant", zegt Marc. "Tot nu toe zijn we altijd op grote banen gebleven, maar vanaf hier rijden we door de velden". En inderdaad, de wegen worden smaller en smaller en we komen steeds minder huizen tegen.

Hoe we gereden zijn kan ik jullie niet vertellen, want veel platen met gemeentenamen zijn we niet meer gepasseerd. Het gaat nu eens langs een smal baantje door een maïsveld, dan weer langs een hobbelig pad naast een riviertje en over een oud stenen bruggetje. Hier en daar rijden we door een tunnelportaal onder een kramikkelige spoorbaan. Oude boerderijen leunen vermoeid tegen een boomgaard. Ze worden afgewisseld met een korenveld en her en der verspreid een lap groen weiland met verbaasd kijkende koeien.

Gelukkig zijn er niet veel tegenliggers, want dan wordt het moeilijk. Het zicht in de volgwagens wordt soms belemmerd door het stof dat door de moto’s opgeworpen wordt. Als er dan ineens een traktor uit de bruinrosse wolk opduikt is er heel wat maneuvreerkunst nodig om mekaar te passeren.

De weg is de ene keer behoorlijk vlak, wat verder zijn de gaten in het wegdek inderhaast met wat grind en teer dichtgegooid. Vooral de welving van de weg speelt onze trike parten: nu eens links, dan weer rechts rijdend probeert Kris het chassis van de grond te houden. Hoeveel kilometer kasseien we overwonnen hebben weet ik niet, maar naar het gevoel in mijn billen te oordelen zijn het er behoorlijk wat. Mij doet het parcours denken aan de "hel van het Noorden" in de wielerwedstrijd Parijs – Roubaix.

Als we zo’n 20km voor Doornik halt houden in een kleine dorpskern worden de moto’s netjes op een rij geparkeerd. Iedereen is enthousiast: het landschap is fantastisch en het weer is ideaal voor een motorrit. De pijnlijke ledematen worden er met plezier bij genomen. Opeens begint een van de motoren vervaarlijk over te hellen en op het nippertje kunnen we vermijden dat een paar machines als dominostenen omvallen. "Ik krijg de mijne niet alleen recht, hé" hoor ik de Roger zeggen, maar ik stel hem onmiddellijk gerust dat het toch geen probleem is als ge daar een beetje hulp voor moet vragen...

Inderdaad, zo’n 280 kilo staal behandel je niet zoals je wilt. Na een paar straffe verhalen over omgevallen moto’s starten we voor de laatste etappe naar onze eindbestemming.

Dat Roger schrik heeft om in panne te vallen wisten we al, maar wie zou kunnen vermoeden dat Jean de pechvogel zou worden. Wanneer de kolonne een spoorwegovergang passeert blijft alleen de camionette eenzaam wachten om de zwaar beladen goederentrein te laten passeren.

"Dat is toch tof dat de Jean op ons wacht aan de andere kant" zegt Ria. Als de slagbomen opengaan en de camionette vertrekt doet de Peugeot 404 van Jean schijnbaar geen moeite om te vertrekken.

"Ge kunt het ni geloven hé" roept Jean, "die rammelkas is stilgevallen en wil ni meer in gang!" Na wat gerommeld te hebben onder de motorkap, bewonderend en ook een beetje bezorgd aangestaard door de toegesnelde motorrijders slagen Jean en Kris er in de wagen te starten. De motor draait nog wat hortend en stotend, maar dan gaat het opeens beter.

"Oef, we hebben geluk. Voor ne moto is er plaats in de camionette, maar diene Peugeot kan daar vanachter ni in".

Zonder verdere incidenten – enfin, de Jean is nog wel 2 keer terug in panne gevallen in de laatste 5 kilometer – en met mijn teller op 162 kilometer bereiken we de parking van het museum voor Natuurlijke Historie en Vivarium in het centrum van Doornik.

"Laat ons maar eerst een stukske gaan eten". Op de grote markt is het redelijk druk, maar we vinden al snel een terras waar we allemaal kunnen zitten. Als iedereen besteld heeft zien we de baas van de tent naar de overkant van het plein verdwijnen. Een paar ogenblikken later komt hij terug met een pak Franse broden onder zijn arm.

"Die zijn er hier precies niet op voorzien om voor 16 man te koken!"

Eigenlijk worden de meesten redelijk snel bediend. Alleen ik en Marc moeten blijkbaar wachten op de borden van Roger en Yolande. Maar die borden zijn dan ook wel enorm groot; het is normaal dat ge er zo geen 10 in de kast staan hebt.

Na een uurtje zijn we op krachten gekomen en beginnen we ons bezoek aan het museum.

Het museum werd in 1828 gesticht en is dan ook het oudste voor publiek toegankelijke Natuurhistorisch museum van België. In één galerij worden de belangrijkste dierenfamilies getoond. We vinden er een reuzenkrab, een doopvontschelp die wel 130 kilo zou wegen, een Komodovaraan, geflankeerd door een Gangeskrokodil, gordeldieren, miereneters en een grote kollektie vogels uit alle kontinenten. Levende dieren zijn natuurlijk mooier dan opgezette exemplaren, maar hier kan je natuurlijk vlak naast een zeeolifant, een leeuw of een pygmee-nijlpaard gaan staan en een idee krijgen van hun imposante verschijning.

Een andere galerij herbergt de eerste olifant die in 1839 in België werd ingevoerd. In die dagen moeten de mensen nogal opgekeken hebben van al die exotische dieren die we nu misschien maar gewoontjes vinden.

Het vivarium betreden we langs een serre waarin prachtige orchideeën, bromelia"s en bekerplanten onze aandacht trekken. In de vijver zwemt, schijnbaar verveeld, een Chinese alligator zijn dagelijkse rondjes. In de aquariumafdeling is het vooral de mooie Arowana die mijn aandacht trekt. Wanneer we de terraria met pijlgifkikkers, spinnen, leguanen, verschillende slangen en hagedisachtigen hebben bekeken komen we aan de uitgang.

Moet je nu speciaal naar Doornik rijden om dit museum gezien te hebben? Nee, zou ik zeggen, maar als je er in de buurt bent loont een bezoekje zeker de moeite.

Terwijl wij in het museum rondlopen heeft Jean zijn wagen eens goed onder handen genomen.

"Ik denk da’k het gevonden heb" zegt hij als we buiten komen. "Met mij gade gijle gene last meer hebben".

Verheugd over dit goede nieuws vatten we rond 17u00 de terugtocht naar Leuven aan. Aan het eerste benzinestation houden we halt voor een tankbeurt. Iedereen vult zijn bakske bij (ge moet weten dat er in een benzinetank van een moto maar 10 à 15 liter kan), behalve de Marc.

"Awel Marc, gij hebt zeker een reservekruik in één van die koffers zitten?"

"Maar nee mannen, mijne moto verbruikt bijkans niks." Geamuseerd zit hij de anderen te bekijken die de grootste moeite hebben om aan naft te geraken: van de 6 pompen zijn er 2 kapot en 2 leeg.

Eindelijk kunnen we vertrekken. De route gaat via Ronse naar Ninove. Onderweg passeren we een wegwijzer met ‘Ellezelles 3km’. "Tiens, hier zijn we nog onlangs geweest".

Van Ninove rijden we in de richting van de Brusselse ring langs een baan waar meer snelheidscamera’s als huizen staan. Vermits we besloten hebben niet op een autosnelweg te rijden buigen we voor Dilbeek af, richting Ternat. Dan gaat het verder naar Asse en zo naar Dendermonde.

Het is 19u00 als we op het marktplein van Lebbeke halt houden.

"Zeg mannen, wijle hebben dorst hoor!". We besluiten een ommetje te maken langs het clubhuis van onze vrienden van Betta Buggenhout want die zijn op zaterdagavond geopend.

"Alléz, laat ons dan maar tot daar rijden!" We zijn allemaal startensklaar, maar… de Peugeot van Jean geeft geen kik. Opnieuw wordt er onder de motorkap gedoken en na een aantal verwoede startpogingen met een batterij die er schijnbaar steeds meer moeite mee krijgt, springt de motor aan.

"Miljaar, as em nu nog ne keer kuren krijgt rij ik hem hier ergens in een gracht", roept Jean zichtbaar kwaad.

"Dan moet ge wel bij mij achterop hé". De gedachte alleen dat hij mee op de moto zou moeten is voor Jean voldoende om zijn oldtimer terug met een liefdevolle blik te bekijken en hem met zachtheid in beweging te zetten. De wagen zelf schijnt ook iets van het gesprek opgevangen te hebben, want dat was de laatste keer dat hij kuren had.

Na de pint of de Cola in Buggenhout rijden we langs Steenhuffel naar Meise en verder naar Grimbergen: ge zoudt er zo direkt terug dorst van krijgen!

Tussen Vilvoorde en Steenokkerzeel wordt er wat met de gashendel gespeeld, maar in het optrekken kan er niemand op tegen het lawaaimachien van onze Jan. Hiermee is dan ook bewezen dat lawaaimakers soms toch nog de beste zijn.

Langs Kortenberg en Veltem komen we, na een tocht van 320 km terug in Leuven aan. In het lokaal staat alles al klaar zodat de vermoeide maar vooral hongerige motards niets te kort komen.

"Dit doen we volgend jaar toch opnieuw?" Iedereen is opgetogen over de fantastische dag en de mooie plekjes die we bezocht hebben. Het eerste "Siervis Motortreffen" is hiermee een feit.

In de eerste plaats wil ik Marc en Bea bedanken voor de voorbereiding van deze tocht. Zonder die voorbereiding hadden we nooit de mooie natuur kunnen bewonderen, waar we nu doorheen gereden zijn. Maar mijn dank gaat ook uit naar de rijders. We hebben onderweg zeker veel beziens gehad met onze blinkende machines, maar ik ben er van overtuigd dat men ook de gedisciplineerdheid zal opgemerkt hebben waarmee we half België doorkruisd hebben.

En Jean denk eraan, oude karren kunnen soms niet goed meer mee, maar dat mag je ze zeker niet kwalijk nemen. Wij vonden het in elk geval fantastisch hoe je de 404 telkens weer aan de praat gekregen hebt en we hopen dat de pannes je niet zullen beletten om volgend jaar terug van de partij te zijn.

 

Roger Veltens,
De Siervis Leuven