wie is online

We hebben 87 gasten en geen leden online

Login/Registreren

Polls

Welk type lezing wil je liefst bijwonen

Reisverslagen - 8.3%
Aquariumplanten - 20.8%
Gezelschapsvissen - 33.3%
Cichliden - 33.3%
Vijver - 4.2%

Aantal stemmen: 24
De stemmen voor deze enqute is afgelopen on: mei 10, 2017

De Grote Groene Kikker of Rana ridibunda

Afdrukken E-mail

Ik ben "Kermit" de grote groene kikker, en woon in een mooie, gezonde vijver. Deze is beplant met allerlei water- en oeverplanten. Enkele shibunkins en een koi houden ons gezelschap. De vijver is gelegen in een rustig hagelands dorpje. Mijn vrouw en ik hebben het hier helemaal naar onze zin.

Ik ben mooi helgroen met een donkere rugstreep. Deze loopt van aan mijn hoofd tot aan het einde van mijn mooi getekende rug, die bezaaid is met zwarte stippen. Deze stippen laat ik tijdens de wittebroodsweken opzwellen, zo zie ik er voor mijn vrouw nog mooier uit. Ik roep haar dan ook met luide stem: de luidste van alle kikkers op het Europese continent. Hiervoor gebruik ik mijn kwaakblazen die naast mijn mond zijn ingeplant.

Mijn achterpoten zijn lang, krachtig en mooi gestreept. Tussen de tenen heb ik zwemvliezen. De middelste teen is wel wat lang uitgevallen, maar hij bezit dan ook een eeltknobbel die ik gebruik bij het vrijen.

Onze voorpoten hebben niet veel om het lijf. Zij dienen dan ook maar enkel om iets te grijpen. De kussentjes die ik er op krijg zijn niet van het werken maar wel om mijn vrouw tijdens de paringstijd te verwennen.

Mijn eega heeft dat allemaal niet, ze is dan ook niet zo mooi. Met haar groot dik bruin lijf valt ze bij mij uit de toon. De donkergroene streep op de rug heeft ze wel, evenals de gestreepte achterpoten. Vroeger, zo’n 3 jaar geleden, was mijn vrouw een mooi, jong en groen hups meisje. Zij is ongeveer 10 cm groot, terwijl ik maar 8 cm wordt. Zij is wel zwijgzaam, wat niet kan gezegd worden van mijn bazin!

Tijdens de laatste regenbui is mijn vrouw met de hevige waterstroom langs de eendenbeek het moeras, dat dienst doet als zuiveringsstation, ingespoeld. Mijn baas heeft haar daar niet meer kunnen uitscheppen. Ja, dat is te verstaan met al die planten, zoals lisdodde, gele lissen, zwanebloemen, egelskoppen, snoekkruid, pijlkruid, en dotterbloemen. Maar volgende lente, als ik de buurt weer op stelten zet met mijn geroep, zal ze wel vlug daar zijn om de vlindertjes in haar buik te laten pakken.

Ja, we zaten daar met nog een paar broers en zussen bij elkaar maar door een elektriciteitspanne in de pomp zijn zij naar de kikkerhemel verhuisd.

Ik heb nog vele neven en nichten, verspreid over heel de wereld. Wij, groene kikkers, houden ons meestal aan de waterkant, heel dicht bij het water, op. Er zijn familieleden, zoals de Afrikaanse klauwkikker, die niet meer uit het water komen. Andere, zoals de boomkikkers, blijven weg uit het water en gebruiken bloemen (bromelia’s) als afzetplaats voor de eieren en larven. De woestijnkikker verblijft dan weer heel het droge seizoen onder het zand. Bij de eerste regen komt hij boven om te eten en aan zijn voortplantingsbehoeften te voldoen.

Mijn dichtste familie is de kleine groene kikker (Rana lessonae, 8 cm). Deze is nog mooier groen. Dan is er nog een halfbroer van ons : de middelste grote groene kikker (Rana esculenta). Dit is een hybride en geeft zeer weinig nakomelingen. Hij is ontstaan na het ijstijdperk. Het is nog steeds een raadsel waarom ze het heden ten dage nog altijd zo goed doen.

Ja, zo zijn wij allemaal eens ontstaan door de kuren van de natuur. Ons ontstaan gaat bij mijn weten zo’n 370 miljoen jaar terug (midden Devoon). Toen zwom daar een beendervis met vlezige vliezen rond, de "Sargopterigii". Deze evolueerde meer en meer tot de kwastvis "Crossopterie". In het Carboon tijdperk kwamen dan de eerste "Tetrapoda" of vierpotige dieren op het levenstoneel.

Op het einde van het "Carboon" en het begin van het Perm, zo’n 28 miljoen jaar geleden, probeerden onze voorouders voet aan wal te zetten. Zij waren veel groter dan wij (3 meter) en hun zintuigen, ademhaling en ledematen pasten zich langzaam aan om zowel in als uit het water te leven. Hier werd ook de scheiding tussen amfibieën en reptielen gemaakt.

In het Mesozoicum waren wij in topvorm met 2900 soorten, waarvan 2500 soorten de naam "Anura" (staartloos) mochten dragen.

In het Pleistoceen werden wij "groene kikkers" door de natuurelementen van elkaar gescheiden: er ontstonden twee soorten. Wij, de grote groene kikkers "Rana ridibunda" overleefden deze ijstijd in het water, onze kleinere broer "Rana lessonae" overleefde deze barre tijd in holen op het land.

Door een toevallige ontmoeting tussen de twee stammen na de ijstijd ontstond onze half-neef, de middelste grote groene kikker "Rana esculenta". Hij kreeg deze naam omdat hij een hybride is en geen echte soort. Hij vertoont immers de kenmerken en gewoontes van de twee soorten en is dan ook moeilijk juist te herkennen.

Ja, wij hebben een grote bek. Daar kunnen veel en grote prooien in. Dat weet mijn baasje nu stilaan ook. Niet alleen om dat ik hem ’s avonds en ’s morgens vergast op een luid concert, maar ook omdat ik graag van zijn jonge visjes smul. Alhoewel hij alle dagen, met zijn netje, me wat extra insecten uit het moeras en de weide toesteekt, laat ik het broed van de salamanders en vissen niet met rust.

Onze larven leven van de algen van baasje ‘s vijver en van het plankton dat zich erin ophoudt. Met hun schraapmond schrapen ze een massa algen en infuus naar binnen. Ook worden ze soms verwend met wat kattenbrokken (Whiskas). Daar zijn ze verzot op en ze groeien dan ook veel forser uit. Nadat ze pootjes hebben, eerst de twee achterste en daarna de voorste, verteren ze hun roeistaart en eten even niet meer. Ze vormen nu de schraapmond om tot bijtmond. Deze hebben ze nodig om als volwassen kikker prooien zowel op het land als in het water te kunnen vangen.

Onze huid is ook heel speciaal. Daar we zowel in als uit het water kunnen leven, is ze daarvoor aangepast.

Op het land ademen wij voor 80% door neus en mond, in het water sluiten we alle ingangswegen van de kop af en ademen enkel door de huid. Hierdoor kunnen wij wel een tijdje onder water blijven.

Voor onze winterslaap geeft dit juist genoeg zuurstoftoevoer. Dan zetten we alles op een klein pitje. We leven op zuurstofarm bloed en ons hartje slaat dan ook maar een vijftal keer per minuut.

Onze huid mag nooit uitdrogen, anders zouden we bij een plons in het water verdrinken. De familieleden uit drogere gebieden vormen daarom een slijmlaag ter bescherming van de huid. Zij die in de woestijn leven vormen zelfs een volledige cocon waarin ze de droge periode doorbrengen, zelfs tot een overbrugging van 3 jaar.

Anderen gebruiken dan weer hun huidplooien om hun jongen te beschermen of te transporteren naar betere oorden.

Voor de winterslaap is onze huid van vitaal belang. Wij, de (grote) groene kikkers, slapen graag op de bodem van de vijver in de modder. Daar wij een zeer complex (lees "onvolmaakt": de boezems en kamers zijn nog niet gescheiden) hart bezitten, wordt een groot deel van onze body met zuurstofarm bloed doorspoeld. De zuurstoftoevoer wordt in de winterslaap enkel door de huid verzekerd. Hierdoor ontstaat er een soort glucose die het bloed verdikt, en ons voor de vriesdood behoedt.

De omgevingswarmte van het water moet dan ook langs de huid ons weer op temperatuur brengen vooraleer we ontwaken. Daar wij de omgevingstemperatuur aannemen, voelen we ook steeds kil en vochtig aan (daarom noemen ze ons ook koudbloedige dieren).

Onze families van de woestijn doen een zomerslaap en wachten op een flinke regenbui die al het leven weer moet op gang brengen.

Ons verteringsstelsel valt bij temperaturen beneden de 10°C stil. Wij gebruiken dit enkel voor ons groeiproces, en niet om ons lichaam op te warmen zoals jullie, warmbloedige mensen.

Daar wij onze warmte van buitenaf moeten krijgen, komen we ook zo laat uit onze winterslaap. Anderen die op land in holen of spelonken doorwinteren, profiteren veel vlugger van de zonnewarmte en zijn dan ook veel vlugger op de been.

Zien doen wij niet zo best. Ons zicht kun je vergelijken met dat van een peuter. We zien wel alles, maar dan op een plat vlak zonder reliëf (vlakzicht).

Horen doen we daarentegen zeer goed en onze reuk is ook goed ontwikkeld (baasje weet dit enkel uit boeken).

Voelen doen wij bijzonder goed. Dit komt door een speciale vlek tussen de ogen en een zeer gevoelige zijlijn waardoor we alle drukgolven kunnen waarnemen. Al deze gegevens worden doorgestuurd naar het orgaan van "Jacobson" dat zich voor de kleine hersenen bevindt. Dit orgaan coördineert alle zenuwprikkels van elk zintuig (reuk, smaak, gehoor, zicht, gevoel) en geeft dit dan door aan de hersens. Alzo weet ik precies waar mijn prooi of vijand zich bevindt. Ook om mijn partner te vinden is dit orgaan van groot belang.

Ik eet enkel levende prooien; bewegende is beter gezegd. Dit heeft mijn baasje zelf ondervonden, toen hij met een stokje over de kant schuurde om wat algen weg te wrijven bij de overloop. Ik sprong toen met een wip van zo’n 30 cm recht op zijn stokje en beet had ik het, met de gedachte dat het een vette regenworm was. Zo eten mijn broers en zussen bij een vriend van ’t baasje zelfs stukjes brood, als deze bewogen worden door de visjes die er onder zwemmen. Ons baasje legt zijn boterhammen met jam, vlees of fruit aan de waterkant. Daar komen dan vliegen en andere insecten naartoe en kunnen wij ze verschalken. Dat is veel gezonder voor ons. Al die vitaminen zijn goed voor hart en ledematen. En ons baasje heeft er dan ook nog zijn plezier in om ons zo bezig te zien.

Daarom beste vrienden vijverliefhebbers, als je graag onze familie aan je waterkant ziet of hoort, zorg er dan eerst voor dat je vijver in orde is en dat er genoeg te eten is in het water en op de oever. Ook van een dichte oeverbeplanting houden wij, dan kunnen we piepekenduik spelen.

Haal ons nooit weg uit de natuur want dan vertrekken we dadelijk terug naar onze oorspronkelijke woonst. Vraag liever aan vrienden enkele van onze larven (dikkoppen) en laat ons zo in jouw vijver groot worden. Dan heb je aan ons veel meer plezier en zal je ook meer van ons houden. We lopen dan ook minder gevaar om vroegtijdig naar de kikkerhemel te verhuizen. Denk ook aan je buren want als wij er zin in hebben durven wij wel eens een luid concert geven.

Hoor ik daar niet mijn bazinnetje aankomen? Dan ga ik me maar vlug verstoppen om dan met een flinke plons in het water haar te doen verschieten. Ja, na al die jaren doet ze dat nog steeds!

Eli Verhaegen

Geraadpleegde lectuur :

Grzimek, Over salamanders, kikkers en padden.
Max Sparreboom, Amfibieën en reptielen.
G.F. De Witte, Amfibieën en reptielen.
R.S.E, Dierenrijk